Pré-roman De jonge toonkunstenaar

Proloog

Donderdag 17 december 1770

De weg naar de kerk is afgesloten. Ludwig stapt flink door. Hij heeft niet veel tijd meer nu hij zo’n eind moet omlopen. Hij kan het niet maken om op deze bijzondere dag te laat te komen. Toch kan hij zijn behoefte aan een glas wijn niet negeren. In zijn stamkroeg schenken ze wijn uit zijn eigen handeltje. ‘Daar-ga-ik-nu-naar-toe’, zingt hij op de cadans van zijn stevige pas. 

Met zijn ogen dicht laat hij de slok wijn als een draaikolk door zijn mond wentelen. Pas na die goddelijke secondes slikt hij door. De oude man geniet met volle teugen. 
Dan plotseling staat hij op. Hij betaalt en beent resoluut naar buiten. Hij loopt, rent bijna, over straat. Snel, snel, snel.

Ludwig voelt zich smerig. Ook al woont hij nu al 37 jaar in Bonn, hij kan niet wennen aan de rioollucht en het geschreeuw op straat. De stank, de domheid, het geraaskal, wat heeft hij daar een hekel aan. In zijn haast struikelt hij bijna over een man, die zijn roes uitslaapt op straat. Hij schaamt zich plotseling voor zijn kleinzielige chagrijn. Voor zo’n man op straat is alles nog veel erger. Die leeft in de smurrie en kan nergens anders heen. Terwijl hij zich vanavond in zijn gerieflijke huis kan terugtrekken, al is het een huis zonder vrouw. Ludwig mist haar nog steeds. 
Hij is een familieman.

Zijn gedachten verplaatsen zich vanzelf naar het doel van zijn voettocht door Bonn, de St. Remigius kerk. Hij heeft daar al talloze concerten voorbereid en zijn zware stem heeft er vaak geklonken. 
Nu gaat hij om familieredenen naar het statige gebouw. En hij realiseert zich weer eens hoe belangrijk het is om op tijd te komen. Hij versnelt zijn pas, ondanks zijn vermoeidheid.

Wat een man allemaal moet doorstaan om aan zijn familieplichten te voldoen.

Het is een hectische ochtend geweest. Over een week moet het orkest een groot werk uitvoeren, een primeur, waarvan de verwachtingen hoog zijn. Ludwig moest nota bene zelf zorgen voor voldoende kopieën voor de orkestleden. Dat is het werk van de kopiisten, maar die stumperds zijn niet te vertrouwen, dus hij kon niet anders dan ze een voor een langsgaan om te controleren of hun werk voldoende vorderde en dat was natuurlijk lang niet altijd het geval. 

De klus is uiteindelijk geklaard, de wijn was goed, maar het heeft hem alles bij elkaar veel teveel tijd gekost. De kerk is in zicht.

Door en door koud en buiten adem komt Ludwig eindelijk bij de Sint Remigiuskerk aan. Nog nahijgend omhelst hij Johann en kust hij Maria Magdalena een tikje formeel op haar wang. Zij deinst een beetje terug. Het zal de kou zijn. Meestal doet ze voor de lieve vrede wel alsof ze haar schoonvader heeft geaccepteerd, ondanks zijn felle verzet tegen het huwelijk, waar hij met enige schaamte op terugkijkt. De Van Beethovens zijn nu eenmaal niet makkelijk als het gaat om acceptatie in de familie, zeker niet als het gaat om mensen beneden hun stand. Maar Maria bleek in de afgelopen drie jaar een betrouwbare vrouw voor Johann zij het nogal zwaar op de hand. Daar had ze dan ook goede redenen voor. Bovendien was haar vader als meesterkok niet minder dan een kapelmeester. 
De doop van hun kindje roept wel heel uiteenlopende gevoelens op. Anderhalf jaar geleden immers is hun kind kort na de doop overleden. Een jongetje, dat weer vreugde had moeten brengen in hun leven. En voor Maria was het al de tweede keer geweest om een pasgeboren kindje te moeten verliezen. Ludwig krijgt weer trek in een goed glas wijn bij al deze overdenkingen. 
Deze kou, deze hele situatie, laat dat mens toch opschieten.

Ludwig is zo in zijn gedachten verdwaald geraakt, dat hij met een schok bij zinnen komt als Johann bromt: ’Waar blijft dat mens.’ Het wachten is immers nog op de peetmoeder van het kindje. Ludwig heeft zijn buurman nog zo gezegd zijn vrouw op tijd naar de kapel te sturen. Ze is er nog steeds niet en over vijf minuten moet de doop plaatsvinden. Ludwig kijkt nog eens naar de ingang van de kerk. Niets.
’Ja, waarom is ze er nog niet?’ vraagt Maria aan haar schoonvader. ‘Dit is toch niet het moment om te dralen.’ Ludwig heeft helemaal geen zin in een rel op deze bijzondere dag en geeft haar slechts een bemoedigend knikje. Ze komt, ze komt. 
Natuurlijk had zijn eigen vrouw hier moeten staan. Helaas is zij, de moeder van zijn kinderen, noodgedwongen opgenomen in een Keuls klooster. Zoals altijd, sinds die dag, staat hij overal alleen voor. Dankzij zijn goede relatie met de buren, heeft hij een geschikte vervangster gevonden om de rol van peetmoeder in te nemen. En die heeft beloofd om, als altijd, netjes te doen wat haar gevraagd wordt.  
En dan, geen seconde te vroeg, is de vrouw er dan toch. De priester prevelt wat woordjes in het latijn. Ludwig kent ze uit zijn hoofd. Hij heeft bijna de neiging in koor mee te doen met de priester. Het herinnert hem eraan dat hij een mis moet organiseren. Daarvoor moet hij zangers en zangeressen zoeken die latijn kunnen zingen. Dat zal nog niet meevallen. 

Het kleine jongetje huilt een heel klein beetje. Ludwig heeft het nog steeds verschrikkelijk koud als hij het kleine kindje in zijn armen neemt. Een grote ontroering maakt zich van hem meester. Hij voelt zich zacht worden van binnen, iets dat hem al lange tijd niet is overkomen. Hij houdt bij voorbaat van dit kleine kindje, dat zijn naam zal dragen: 
Ludwig van Beethoven.