Pré-roman De jonge toonkunstenaar

Hoofdstuk 1

I

Bonn, in de nacht van 27 december 1770

In het donker, alleen met haar kindje, denkt Maria Magdalena terug aan die afschuwelijke periode, anderhalf jaar geleden. 
De kleine Ludwig Maria had zoveel kracht. In de zes dagen van zijn bestaan leek hij haar te vertellen dat het goed was. Dat vader wel zou bijtrekken, dat opa haar uiteindelijk toch zou accepteren. Ze vond steun bij de kleine jongen. 
Helaas mocht hij maar 6 dagen leven.

Maria rilt. Niet van de kou. Ze heeft zichzelf en de kleine Ludwig gewikkeld in een dikke deken. Het is behaaglijk warm daarbinnen. In huis is het doodstil. Johann is op kroegentocht met zijn vrienden. Maria is wakker, Ludwig slaapt. Hij heeft net zijn maagje gevuld en hij geeft haar weer diezelfde troost als destijds zijn broer deed. 

Nee, Maria rilt niet van de kou, maar van de herinneringen aan die vreselijke tijd. Na de dood van Ludwig Maria stortte haar wereld in en Johann ging alleen maar nog meer drinken. Samen met zijn vader zat hij uren te discussiëren. Ze werden het nooit eens en hun gelal werd steeds agressiever en gemener naarmate ze meer dronken. 
Ze voelt de tranen over haar wangen lopen. Hoe lang mag deze nieuwe Ludwig leven?

Maria Magdalena wordt langzaam wakker. In het donker hoort en voelt ze de zachte ademhaling van haar kind. Ze viel in slaap met die knagende angst dat hij zou sterven. Maar hij leeft, hij ademt. Ze is opgelucht en vastbesloten Ludwig alles te geven wat ze in zich heeft om hem te helpen in leven te blijven. Ze bidt dat hij een lang en vruchtbaar leven mag lijden.

Maar Ludwig slaapt niet. In zijn hoofdje klinkt heel voorzichtig een toon. Een toon die hem in een wereld verwelkomt die hij pas veel later zal herkennen als de zijne. Een wereld die voor zijn ouders, zelfs voor zijn moeder, grotendeels gesloten zal blijven. Een wereld van gevoelens en klanken. Maar er is nu nog niemand die zich daar van bewust is.


II

In het donkere café zitten twee mannen in een hoek. Verder is het er leeg. Zelfs de waard is nergens te vinden. Het is dan ook al erg laat. De ene man heeft zojuist wijn ingeschonken voor zijn drinkebroer en daarmee de kruik geleegd. 

‘Mijn beste Salomon, eigenlijk ben je een schat van een man, proost.’ Johann heft zijn kom nog maar eens en neemt een flinke slok wijn. Salomon kijkt hem aan met de ‘het wordt tijd om naar huis te gaan’- blik die hij maar al te goed kent. Johannheeft nog niet zoveel zin. Thuis wacht hem waarschijnlijk een klagende vrouw met een huilende baby en dat is het laatste waar hij nu op zit te wachten. De blik van Vader tijdens de doop die middag heeft hem niet bepaald in een goed humeur gebracht, hij kan er niets meer bij hebben.
Hoofdpijn kan hij echter ook niet gebruiken. Morgen, straks dus, moet hij met Vader aan de slag om de uitvoering van het requiem voor te bereiden. Als hij dan met lodderige ogen en een alcoholkegel aan komt zetten is de ellende niet te overzien. Johan drinkt in één slok zijn kom leeg en de mannen lopen met onvaste tred naar buiten.

Zingend lopen de beide mannen over straat. Johann onderdrukt de neiging om spontaan te braken door de vreselijke rioollucht die in deze buurt hangt. Maar het is de kortste weg en Salomon heeft bepaald dat ze deze route nemen, stank of niet. Johann heeft geen zin om er tegen in te gaan. Kennelijk heeft de man behoefte om in zijn bed te kruipen. Of dat voor hemzelf ook geldt is nog maar de vraag. Hij ziet er tegenop om in het gekrijs van de kleine Ludwig de slaap te zoeken. 

Salomon mompelt ‘trusten’ en verdwijnt achter de deur van het voorgedeelte van hun huis. Johann loopt de trap op. Hij hoort nog niets boven. Zouden ze slapen? Zachtjes opent hij de deur van de slaapkamer. Maria ligt op haar zij. In de kamer hangt een serene rust. Het is er vrijwel donker, op wat licht na dat door een bovenraam naar binnen schijnt. Johann voelt zich duizelig worden. Het is te stil in deze kamer, er klopt iets niet. 

Langzaam loopt hij naar het bed en buigt hij zich over zijn vrouw en zijn kindje.  Johann wil het niet geloven. Niet nog een keer. 

Johann is op slag nuchter. Hij kijkt naar het levenloze lichaam van de baby. Het kind is dood. Voor de tweede keer overkomt hem het ergste dat er kan gebeuren in een mensenleven. Hij legt zijn hand op de schouder van Maria Magdalena en voelt de tranen over zijn wangen lopen. Alle hoop is verdwenen, Johanns wereld stort opnieuw in. 

Dan begint het kind plotseling te huilen. Maria schrikt wakker en draait zich met een ruk om. Ze grijpt de hand van Johann beet. ‘Wat is er, wat gebeurt er!’. Van het ene op het andere moment is Johanns leven van een hel in een hemel veranderd. Zijn zoontje leeft en zijn vrouw kijkt hem vol liefde aan.

‘Kijk nu toch eens naar dit kleine wonder’, zegt ze zacht. De kleine Ludwig wordt onmiddellijk stil als hij de stem van zijn moeder hoort. Met grote ogen kijkt hij de wereld in. 

‘Ja’, zegt Johann terwijl hij naast zijn vrouw in het bed gaat liggen. ‘Een wonder, dat is hij. En we zullen deze keer niet hoeven rouwen. Het is niet voorbeschikt dat deze jongen ook al zo vroeg moet sterven’. 

Teder kust hij zijn vrouw en dan neemt hij het kindje in zijn armen. Het ademt nu rustig en valt op zijn borst in slaap. 

In Ludwigs hoofd begint een tweede toon te klinken. Hij is veel intenser dan de eerste, geeft een nieuwe stemming aan. Die van de liefde. 


III

Bonn, vrijdag 18 december 1770.

‘Je bent laat’. 

Johann probeert schuldig te kijken, maar als hij zijn vader in de ogen kijkt, schiet hij in de lach. ‘Ach ja, een vader is niet automatisch een betrouwbare collega’, probeert hij grappig. 

Ludwig kijkt zijn zoon stoïcijns aan, draait zich abrupt om en loopt het statige gebouw binnen waar de beide mannen zich even later bij een gezelschap voegen dat het midden houdt tussen een drinkgelag en een strijkorkest waarvan niemand meer weet welk instrument hij ook weer bespeelde. Mannen in slordige kleren zitten op tafel, hangen aan de toog met een glas bier in hun hand of zitten aan tafel, heftig discussiërend over de situatie in Wenen. 

Voor- en tegenstanders van de moderne opvattingen van Keizer Josef zitten elkaar flink in de haren. 

‘De kerk mag zich niet laten neerdrukken door zo’n nieuwlichter’, hoort Johann een van de musici zeggen.

‘Wat een flauwekul!’ roept een man, die met zijn viool zwaait om zijn standpunten te onderstrepen. ‘Godsdienstvrijheid is goed voor mij, voor jou en voor je kinderen’.

‘Godsdienstvrijheid of niet, heren, ik ontneem u met onmiddellijke ingang de vrijheid om van deze repetitieruimte een kroeg te maken. Zet uw drank weg, plaats de stoelen in een fatsoenlijke opstelling en wacht tot ik u instructies geef’. Johann ziet dat zijn vaders gezag nog onverminderd krachtig is. De mannen doen wat hun gezegd wordt. Tien minuten later zitten ze klaar om met de repetitie te beginnen. Johann verheugt zich op wat komen gaat. Ten onrechte. 

Was hij maar naar Luik gegaan. Als lid van de muziekkapel had hij een mooi leven kunnen leiden. Nu moet hij nog steeds dansen naar het pijpen van zijn vader. Hij, een man van dertig! Ook al is Vader nu verhuisd, Johann ziet nog elke dag zijn vader stipt om acht uur uit het huis aan de overkant vertrekken en even stipt om negen uur weer thuiskomen. Hij heeft een hekel aan die strakke orde en regelmaat in zijn vaders leven. Het doet hem denken aan vroeger, als Moeder weer een dronken was en Vader moest zien dat hij het een beetje kon redden. Dat betekende dat je geen minuut te laat of te vroeg mocht komen en geen meter teveel naar links of naar rechts mocht bewegen. Moeder heeft nu helemaal niets meer in te brengen. Ze drinkt, ze slaapt of ze is weg. 

‘Johann!’, je speelt hier een gis, dat moet toch echt een g zijn. Hoe is het toch mogelijk dat ik je daar nu nog op moet wijzen.’ Johann schrikt op uit zijn mijmeringen. Zijn vader staat vlak naast zijn stoel. De musici voor hem kijken verstoord om. Alsof hij het hele stuk heeft verknald. En dat is natuurlijk ook zo. 

‘Eh, ja, dat klopt, ik was er even niet bij’. 

‘Even!’ 

‘Nou ja, het is ook een lastig stuk, dat moet je toegeven’.

Ludwig loopt hoofdschuddend weg. Hij ergert zich voortdurend aan zijn enige zoon. Waarom is dat niet de musicus die hij had gehoopt te zien opgroeien? Waarom erfde hij niet hetzelfde talent als hijzelf? Hij hoopt maar dat zijn kleinzoon het er beter afbrengt. 


IV

Het is een kakofonie van klanken, maar een mooi geordende uitvoering van de muziek zit er voorlopig nog niet in. Johann is diep van binnen opgelucht. Het ligt niet alleen aan hem. Ook Vader kan hier geen mooie muziek van maken, ook al is hij de grote Kapelmeester Van Beethoven. 

‘Ik laat het hierbij voor vandaag’, zegt Ludwig tegen het groepje mannen. Hij realiseert zich dat het bier en de te lange aanloop naar de repetitie een desastreuze invloed hebben op de muzikanten. Nou ja, musici kun je ze met goed fatsoen niet noemen. 

‘Morgen om dezelfde tijd. Ik open de deur geen seconde eerder en ik bid u, zorg dat u nuchter en gemotiveerd op de repetitie verschijnt. We hebben nog maar vijf dagen voor de uitvoering en die moet, hoort u?, moet!, slagen. Ik zie u morgen’.

De mannen vertrekken met zure gezichten en Ludwig zucht maar eens diep. 


Maria Magdalena is erin geslaagd uit bed te komen zonder de kleine Ludwig wakker te maken. Het kindje ligt rustig te slapen. Het geeft haar de kans om een maaltijd te maken voor haarzelf en Johann, die ze luid met de deur hoort slaan.

‘Wat een ellende is het toch altijd met die ouwe!’, roept hij, nog voor zij hem heeft kunnen begroeten. ‘Hij met zijn orde en regelmaat, hoe kun je zulke eisen stellen aan mensen die nauwelijks een muziekinstrument kunnen vasthouden’. 

Maria zwijgt, verstandig als ze is. Ze kent haar man. Een discussie zou zinloos zijn. Bovendien kan elke opmerking leiden tot een tirade en dat zou de rust van haar kleine mannetje kunnen verstoren. En dat wil ze niet, hij slaapt zo heerlijk.

Maar ook nu slaapt de kleine Ludwig niet. In zijn hoofdje is een derde toon gaan klinken. Het kindje ontvangt de toon zonder er over te denken, zonder er een oordeel over te hebben, want dat kan hij nog niet. Hij is zich met al zijn ontluikende zintuigen bewust van een klank die hem na het welkom in de wereld van de muziek en de toon van de liefde vertelt over verlangen. Zijn stem volgt onmiddellijk. De kleine Ludwig laat van zich horen: kom, moeder!