Pré-roman De jonge toonkunstenaar

Bonn, vrijdag 7 april 1775.

  ‘Ik kan dat niet goed’, zegt de kleine jongen tegen zijn oudere huisgenootje. ‘Wat kun je niet goed?’, vraagt ze, terwijl ze hem recht op het bankje zet dat hij nodig heeft om bij de toetsen van de klavichord  te komen. ‘Spelen voor Vader’, zegt de jongen, met tranen in zijn ogen. ‘Vader is boos als ik niet doe wat hij zegt.’

  Cicilia voelt een intens medelijden. Het liefst zou ze de poten van het instrument afzagen, zodat hij er voor kon gaan zitten. Maar dat zou Oom Johann niet waarderen. Ze is bang voor Ludwigs vader. Zijn handen zitten los en wat vooral zo erg is: hij schreeuwt hard als je niet doet wat hij wil.

  ‘Vind je het moeilijk wat je moet spelen?’, vraagt ze.

  ‘Niet moeilijk! Ik vind het stom!’ antwoordt Ludwig, terwijl hij soepel met zijn vingertjes een toonladder speelt, razendsnel. Cicilia is dit gewend, ze kijkt er niet van op.

  ‘Maar wat kun je dan niet goed?’. 

  ‘Spelen alsof ik een klein kind ben’, zegt Ludwig. Hij veegt zijn tranen af en springt van het krukje af. Wat Vader van hem vraagt kun je niet oefenen. Boos loopt hij naar buiten.

Cicilia rent achter haar buurjongetje aan. Ze gaat naast hem lopen en pakt hem bij de hand. 
‘Wat zullen we samen gaan doen?’, vraagt ze. 
‘Naar de vogels luisteren’, zegt hij enthousiast. Hij zet het op een rennen en sleurt Cicilia mee naar het bos, vlakbij hun huis. 

Als ze in het bos zijn aangekomen blijft Ludwig staan. Doodstil is hij. Cicilia gaat op een boomstronk zitten en bekijkt de kleine jongen. Hij is klein, stevig en heeft een donker gezicht. Ze houdt van dat gezicht. Vanaf het moment waarop de Beethovens boven zijn gaan wonen, is ze dol op Ludwig. 
‘Hoor’, zegt hij en hij kijkt haar verwachtingsvol aan. ‘De merel’. Cicilia weet genoeg van vogels om te weten dat hij gelijk heeft. 
‘Ja, een merel’, zegt ze zacht. Samen luisteren ze een tijdje intens naar de gevarieerde compositie van de vogel, ergens hoog in de bomen.

  Plotseling zet Ludwig het op een lopen. Cecilia is eerst te verbouwereerd om meteen op te springen, maar dan gaat ze achter hem aan, het huis in. Hij rent de trap op naar het voorhuis waar de klavecimbel staat. Ook daar staat een bankje klaar voor de uitvoeringen die Ludwig van tijd tot tijd moet geven voor vrienden en bekenden van zijn ouders. Zonder aanleiding speelt Ludwig een stukje, dat net zo gevarieerd en melodisch is als dat van de merel.  ‘Waar heb je dat geleerd?’, vraagt Cecilia. Ludwig kijkt haar ongelovig aan.  ‘Dat leer je niet, dat doe je gewoon’, zegt hij. 

  ‘Hoezo, doe je dat gewoon!’. De stem komt vanuit de deuropening, waar Johann het tweetal met rode wangen staat te bekijken. Ludwig krimpt in elkaar. Het kind weet wat er komen gaat. Cecilia probeert zich klein te maken. Maar dat is niet nodig, want Johann heeft geen enkele belangstelling voor het meisje. Hij beent naar zijn zoon, pakt hem bij een oor en sleurt hem naar het klavichord in de achterkamer.  ‘En nu spelen!’ brult hij. En niet dat onzinnige gepingel, maar Bach. Bach, hoor je? Bach.’

  Het is niet dat hij geen Bach wil spelen. Het is niet dat hij geen Bach kan spelen. Het hele Wohltemperierte Klavier – het woord uitspreken is moeilijker dan het spelen – uit zijn hoofd. Maar doen wat zijn Vader zegt. Spelen wat niet uit zijn hart komt, maar wat hem wordt opgedrongen, dat gaat bij de kleine Ludwig niet. 

  Hij blijft stokstijf achter het instrument staan. Stuurs kijkt hij voor zich uit en hij weigert te spelen. In zijn hoofd is stilte. Hij hoort – en dat gebeurt zelden – geen muziek. Hij voelt een enorme woede en ver daaronder een verdriet dat groter is dan welke boom ook maar te vinden is in het bos. Maar Vader zal dat verdriet nooit mogen zien. Moeder wel, maar die is niet in de buurt. Stil blijven staan, dan gaat alles goed. 

  ‘Speel, vervelend kind, speel!’ schreeuwt zijn vader. ‘Ik heb niet voor niets alles opzij gezet om jouw talent tot uiting te laten komen. Ik wil over twee jaar met jou langs alle theaters in Pruisen, Oostenrijk, het Belgenland, overal waar ik maar kan komen met een kleine snotneus die toevallig mooi Bach kan spelen. Bach! hoor je.’

  Ludwig is inmiddels gekalmeerd. Zodra de muziek in zijn hoofd stilvalt wordt hij heel rustig. En dan, als uit het niets, verschijnen een voor een de tonen. Eerst nog die zachte, warme klank van de liefde en daarna meer een meer de verbazing, de schrik, de opwinding. Ook nu weer zijn er klanken die zich makkelijk laten omtoveren tot melodieën, stukjes muziek, die hij het liefst naar buiten laat komen door zijn viool of zijn klavier. Terwijl zijn vader verder oreert over de kansen die hij hem zal bieden, brengt hij zijn handen naar de toetsen en speelt hij feilloos wat in zijn hoofd is gevormd. 

  Voor Johan is dat de aanleiding om in grote woede uit te barsten.

  ‘Ik wil niet dat je die onzin speelt!’. Hij pakt de kleine jongen beet, trekt zijn broekje naar beneden en begint hem op zijn billen te slaan. ‘Eén, twee, drie! Ik zal je leren de componist uit te hangen. Zelfs je grootvader heeft het zo ver nooit geschopt. Wat verbeeld je je! Als je je wil meten met die Grote Man, dan zul je moeten leren dat de muziek die Bach gemaakt heeft voldoende stof biedt voor je hele leven.’ En Johan voegt er nog eens twee slagen aan toe. Hij weet niet wat in het hoofd van Ludwig wordt aangericht. Voor het eerst hoort het kind paukenslagen in zijn hoofd. De pijn voelt hij ook, maar die loutert hem. Hij neemt een besluit voor de rest van zijn leven. Niemand, niemand, zal ooit aan zijn muziekpaleis komen. Dat is van hem. Van hem alleen. 

  Lijdzaam ondergaat hij de afstraffing van zijn vader. Als die is uitgeraasd, laat hij Ludwig alleen achter. Alleen, met zijn muziek als troost. 

Ludwig van Beethoven als kind (bron onbekend)

Bonn, zaterdag 8 april 1775 

  Maria Magdalena heeft Kaspar de borst gegeven en dat put haar altijd uit.

Een traan biggelt over haar wang. Als ze denkt aan het geweld dat gisteren de kleine Ludwig heeft getroffen voelt ze een mengeling van wanhoop en verdriet. Waarom is Johann niet, zoals zijzelf, dankbaar dat dit kind wel mag leven? Waarom wil hij van deze Ludwig een tweede Mozart maken? 

Ze laat haar tranen nu de vrije loop. De kleine baby op haar schoot slaapt, voldaan na zijn ontbijt. 

  ‘We hebben gewandeld’. Johann en Ludwig staan, met vieze schoenen in het schone vertrek, wat onhandig naast elkaar naar haar te kijken. ‘Ludwig heeft vanochtend keurig gespeeld en ik ben een tevreden man’. Johann loopt door naar het achterhuis en gooit de deur achter zich dicht. 

  Maria is blij dat ze een ondeugend glimlachje om de brede mond van haar zoon ziet verschijnen. 

  ‘Hoe is het mijn jongen, heb je het koud?’. 

  ‘Koud niet, moeder’, zegt Ludwig, terwijl hij haar strak aankijkt.

  ‘Kom eens bij me en geef je broertje een kusje.’ Ludwig doet wat ze vraagt en meer dan dat. Hij duwt de kleine baby een beetje opzij en nestelt zich naast hem op moeders schoot. Hij is stil en koud, Maria doet haar arm om hem heen, voor zover de aanwezigheid van Kaspar dat toelaat. De baby slaapt onverstoorbaar verder, gehuld in een dikke deken. De kou zal hem niet bereiken.

  Ludwig komt eindelijk een beetje tot rust. Sinds vader hem gisterenavond weer zo hardhandig heeft geslagen, is hij onrustig gebleven. De schrille dissonanten in zijn hoofd hebben hem wakker gehouden en als hij sliep spookten nachtmerries door zijn hoofd als gemene plaaggeesten. Maar hij is vastbesloten. Niemand kan en zal hem zijn muziek afnemen. Niemand. 

  ‘Moeder’, zegt hij plotseling.

  ‘Ja mijn jongen’. 

  ‘Ik vind Vader een onverstandige man’. Maria’s adem stokt. Hoort ze dat goed… een onverstandige man…

  ‘Hoezo, mijn kind?’. 

  ‘Als hij wil dat ik net zo goed muziek leer spelen als Grootvader, dan zou hij mij toch beter kunnen laten doen waar ik goed in ben?’. Maria is verbijsterd over de taal en formulering van de kleine Ludwig. Maar dat laat ze hem niet merken.

  ‘Ik denk dat hij graag wil dat je net zo goed wordt als Grootvader.’ Kaspar wordt wakker. Hij kijkt helder uit zijn oogjes en er verschijnt een glimlach als hij zijn broer ziet. 

  ‘Ik denk dat Kaspar op Grootvader lijkt’, zegt Ludwig. Hij aait met zijn vinger over het gezichtje van zijn kleine broertje en bekijkt hem aandachtig. 

  ‘Dat denk ik ook’, zegt Maria zacht. Ze houdt van de wisselingen in Ludwigs stemming. Het ene moment geniet ze van zijn vroegwijze taal, om vervolgens verliefd te worden op zijn zachte aard. Zo klein als hij is, wat hij zegt en doet heeft betekenis. In elk geval voor haar.

  Johann komt met veel lawaai de kamer in. Kaspar schrikt en begint te huilen. Ludwig springt van moeders schoot en rent de kamer uit, naar de slaapkamer waar hij op het bankje voor de klavichord gaat staan. Hij doet niets, maar wacht tot hij Vader de deur uit hoort gaan. Die moet vandaag zingen en dan is hij zeker een paar uur weg. Vanuit het diepst van zijn ziel laat hij de dissonanten uit het instrument klinken. Schrijnend, pijnlijk en hard, voor zover het instrument dat toelaat. 

  Maria Magdalena hoort de klanken aan en ze beseft dat iets uit haar zoon een weg naar buiten heeft gevonden. Ze laat hem en bekommert zich weer om Kaspar, die een wandelingetje verdiend heeft.