Pré-roman De jonge toonkunstenaar

Bonn, zaterdag 12 juni 1779

   De slaap wil nog niet komen. Een herinnering doorkruist de melodietjes van de vogels die hij die middag af en aan zag vliegen in de tuin. Soms kibbelden ze even, meestal vormden ze een vredig tafereeltje. Leefden de mensen ook maar zo vredig met elkaar. De vogels inspireerden hem tot wijsjes die harmonieus door elkaar heen klonken. Toch hadden ze elk hun eigen karakter. Hij kon ze uit elkaar houden en ergens voelde hij dat ze toch met elkaar te maken hadden, alsof ze familie van elkaar waren.

  Zijn broertjes maakten ruzie vanmiddag. Ze schopten en sloegen elkaar en scholden elkaar uit. Het tafereel maakte hem boos. Er ging een golf van woede door hem heen, die klanken veroorzaakten die hij nog niet eerder had gehoord. Hij raakte in de war. De vreemde melodieën maakten hem onzeker. Waar kwamen ze vandaan en waar brachten ze hem naartoe? Hij had behoefte om wild om zich heen te slaan en tegelijkertijd wilde hij stil staan om te luisteren. De muziek die hij tot nu toe gespeeld en bedacht had leken niet op deze nieuwe klanken. 

  Tevredenheid en angst strijden om de macht hier in zijn bed. Hij voelt de woede weer even heel heftig, maar al gauw vermengen de vreemde klanken zich met de bekende wijsjes. Ludwig luistert naar wat er in zijn hoofd allemaal gebeurt. Hij laat zich gewillig meevoeren met de muziek en de herinnering verdwijnt naar de achtergrond. Dan is er alleen nog maar klank en genot. Het is lekker warm en stil, zo stil……zo…..

Iets heeft hem vastgepakt. Angstig kijkt hij om zich heen. Schrille klanken doorkruisen zijn droom, iets bedreigt hem en roept: ‘Ludwig! Ludwig! Kom!’ Hij vecht tegen het wezen dat in zijn arm knijpt en hij grijpt met zijn vrije hand naar de muil van het monster dat hem steeds meer pijn doet. 
‘Ludwig! Kom, opstaan!’ zegt Vader. Hij is in één klap klaarwakker. Een vieze geur dringt zich op en hij weet dat vader weer dronken is. Die gaat regelmatig met Tobias naar de plaatselijke herberg. Dat vader die zanger heeft gestrikt om hem les te geven is op zich fijn. Van zijn vader leert hij niets meer. Tobias Pfeiffer is een zachte man vergeleken bij Johann van Beethoven. Maar als ze samen dronken zijn, zijn het monsters. Zolang ze in de kroeg zijn, bezorgen ze hem eindelijk de rust waar hij zo verschrikkelijk naar verlangt en die hij maar zo weinig krijgt. Ook nu weer niet, al is het midden in de nacht. ‘Achter de piano!’, schreeuwt Vader. Hij wordt opgepakt en hortend en stotend naar de klavecimbel gedragen. Daar moet hij op het bankje gaan staan en spelen. Oefenen. Dingen doen die hij (zeker nu) niet wil doen.
Hij speelt aanvankelijk plichtmatig een prelude van Bach. Eerst nog wat stijfjes, maar naarmate de slaap verdwijnt voelen zijn vingers soepeler en verfijnder. Hij doet dat om Vader en Tobias tevreden te stellen. Ze zijn alleen tevreden als hij klassieke stukken speelt en het houdt ze rustig als hij ze nog wat houterig speelt. Dan valt er nog wat te leren en dat maakt ze belangrijk. Het kost hem in werkelijkheid geen enkele moeite om de stukken foutloos en met veel variatie te spelen. Hij vergeet na een tijdje de dronken mannen, die inmiddels lallend en boerend op de bank zijn beland en totaal niet meer met hem bezig zijn. Afwisselend afschrikwekkend hard en fluisterzacht, steeds ondersteund door luid gesnurk, improviseert hij op nieuwe melodieën die vanzelf in hem naar boven komen.

  Het is al licht. Ludwig ziet dat zijn vader op de bank ligt te slapen. Tobias is nergens meer te zien. Hij sluipt achter de piano vandaan en doet zachtjes de deur open. Buiten gekomen voelt hij de zachte streling van de wind langs zijn wangen en ruikt hij de geur van koeienmest. Aandachtig luistert hij naar de prachtige muziek die de vogeltjes maken. Hij volgt de wendingen van de vrolijke wijsjes en geniet met volle teugen van hun gekwetter en van de wind door zijn haren. Karl en Nikolaus zijn nog niet wakker, moeder scharrelt vast al ergens door het huis. Straks mag hij met haar door Bonn wandelen om haar te helpen bestellingen op te halen voor hun en de Vissers. Dit zijn de fijnste momenten van de dag. 

  Ludwig vindt zijn moeder aan de rivier. Hij gaat op het bankje naast haar zitten en kijkt naar de hard stromende Rijn. Hij houdt van de rivier. Die vertelt hem verhalen over verre landen, waar bergen zijn met sneeuw op hun toppen. Hij voelt zich helemaal op zijn gemak. Pas als Vader straks wakker wordt, moet hij weer op zijn hoede zijn. 

  Moeder legt haar arm om hem heen en samen genieten ze van de vroege zon en het gekwetter van de vogels. Plotseling schikt Ludwig op uit zijn stille gemijmer. Hij heeft een geluid gehoord dat hij nog niet kende. Hij verstijft. Moeder kijkt hem verbaasd aan. 

  ‘Hoor, moeder, wat is dat voor geluid?’ Ze spitst haar oren, hoorde het geritsel van de bladeren in de wind, het gekwetter van de vogels en een koets die voorbij dendert.

  ’Nee, lieverd, ik hoor niets bijzonders.’ Ze strijkt zacht met haar hand over zijn donkere krullen. Ludwig zwijgt. Het geluid is alweer weg. Daar wordt hij heel droevig van. Hij voelt de tranen over zijn wangen lopen. Moeder is dicht bij hem. Ze houdt hem stevig vast. Maar ze kan onmogelijk begrijpen wat er door hem heen gaat. Hij kan het haar niet duidelijk maken. Woorden heeft hij daarvoor niet. De muziek die voortdurend door zijn hoofd wentelt, kan hij nog niet naar buiten brengen. Plotseling voelt hij zich eenzaam en intens verdrietig. Hij maakt zich los uit Moeders armen en rent naar binnen. Hij zoekt naar een weg om de muziek aan Moeder te laten horen. Maar die weg kan hij nu nog niet vinden.