Pré-roman De jonge toonkunstenaar

Hoofdstuk 2

I

Bonn, dinsdag 22 mei 1781

  Een mens kan toch waarachtig wat meemaken in zijn leven.

  Neem Christian. Opgeleid als jurist in Leipzig en nu zit hij hier in Bonn met een koude schotel voor zijn neus. Het voelt alsof hij gisteren nog in toga liep met wetboeken onder zijn arm en vandaag in vrijetijdskleding, nadenkend over de lessen op het orgel voor zijn leerlingen. Alleen heeft hij nog geen leerlingen.

  Eerst wat eten. De honger knaagt al een uur en hij komt er maar niet toe iets tot zich te nemen. Dan wil hij nog even een kusje halen bij Hannelore en daarna als de bliksem naar het hof omdat de oude Van den Eeden naar hem gevraagd heeft. Hij heeft geen idee waarom de bejaarde hoforganist hem wil spreken, maar als er een verzoek van het hof komt, dan weiger je dat sowieso niet.

  Het is warm in de stad. Christian zweet als een otter. De koude schotel is een bewuste keuze. Hij gunt zich de tijd om tijdens het eten even te genieten. Een druk bestaan vraagt om zo af en toe uit te rusten, de zaken te overdenken en dat kan hij nu mooi even doen.

  Enerzijds heeft hij spijt dat hij uit Leipzig is vertrokken. De stank hier is ondraaglijk en als je een koets nodig hebt, moet je lang wachten. Mensen staan liever uren lang met elkaar te debatteren op straat dan dat ze iets zinnigs doen met hun tijd. Maar in Leipzig was hij teveel de jurist. Mensen kunnen het beeld dat ze van je hebben nu eenmaal niet makkelijk loslaten. Je gaat niet naar een jurist als je een musicus nodig hebt. Hokjes, hokjes, hokjes. Nadat hij zich de muziek- en theaterlessen van Hiller had eigengemaakt, moest hij een werkgever zoeken en die kon hij in Leipzig dus niet vinden. Hier in Bonn daarentegen was hij verrassend snel muziekdirecteur van een interessant gezelschap. De volgende stap is om aan het hof te gaan werken. Daar heeft hij de stank en de verveling van Bonn wel voor over. En nu is hij nota bene uitgenodigd door de hoforganist. 

  De koude schotel heeft hem gesmaakt, maar de klok is niet stil blijven staan en Hannelore moet helaas nog maar even wachten. Dat kusje moet wachten, het klusje gaat nu voor. Op naar het paleis.

  De lakei in is lang, knap en loopt volkomen rechtop voor hem uit. Christian had altijd gedacht dat bij ieder mens een kromming in de ruggengraat zat, maar bij deze man is dat duidelijk niet het geval. De rode jas staat hem goed. Erachter vermoedt Christian een mooi slank mannenlichaam. Hij stelt zich voor dat de man een van de talloze deuren opent en hem meesleurt in een kamer, waar een enorm hemelbed hen met open lakens ontvangt. Vermoedelijk bloost hij nu, maar gelukkig kan de voortreffelijke lakei dat niet zien, noch zijn gastheer, die kennelijk in een verre uithoek van het paleis is gesitueerd. Ze lopen nu al minutenlang door lange gangen. 

  Overal staan snuisterijen, hangen schilderijen en ziet hij de meest fraaie meubels. Deze omgeving doet hem denken aan een van de vele theatervoorstellingen waar hij aan heeft meegewerkt. Het valt hem op dat de decors destijds zo slecht nog niet waren. 

  De lakei staat plotseling stil. Christian gaat zo op in zijn omgeving, dat hij tegen de man aanbotst. 

  ‘Mijn excuses’, zegt hij snel. De man antwoordt niet, zijn blik is onverstoorbaar. Het is vast een uitstekende lakei, maar niet iemand om een spannend avontuurtje mee te beginnen. Het zij zo. De man in de perfecte rode jas, klopt aan de deur en opent die tegelijkertijd. 

  ‘Herr Van den Eeden, Herr Neefe voor u.’ 

  De oude man staat moeizaam op uit zijn fauteuil. In zijn mond hangt een stukje van een sigaar, die volgens Christian al lang geleden is uitgegaan. Van den Eeden wenkt Christian met een trillende hand en mompelt zacht: ‘Herr Neefe, komt u verder. Wat ben ik u erkentelijk dat u de tocht naar het paleis heeft willen maken, het lukt mij met mijn oude botten niet meer met goed fatsoen een dergelijke afstand af te leggen.’ Van den Eeden grinnikt wat voor zich uit, wat in de verte doet denken aan een varkentje dat zich behaaglijk tegen zijn moeder aan schurkt en daarbij van die licht knorrende geluiden produceert. Ook Christian moet grinniken, maar doet dat in stilte, waardoor de ontmoeting een beschaafd karakter blijft houden.

  De mannen gaan tegenover elkaar zitten. Christian kijkt met stijgende verbazing naar de gezichtsuitdrukkingen van de man tegenover hem. Hij wist niet dat ouderdom iemand zo interessant, maar eigenlijk ook wel een beetje angstaanjagend kon maken. Bij elke zin verandert het gezicht. Soms lijkt er een sprankje hoop uit te spreken, soms alleen maar gelatenheid: Ik zou misschien nog wel willen, maar…. nee, het hoeft niet meer. 

  ‘Herr Neefe, u bent een goed musicus, heb ik vernomen’. 

  ‘De waarheid is een interessant fenomeen, Herr Van den Eeden. Wat volgens de een goed is, is voor de ander misschien maar middelmatig. Maar ik dank u voor het compliment’. De oude man kijkt hem aan, maar zegt niets. Een stilte volgt, die Christian steeds ongemakkelijker maakt. Wat wil deze man toch?

  Dan, na een hele tijd, begint de man rustig te vertellen: ‘Aan dit hof is sinds kort een jonge man werkzaam, die door zijn vader is onderwezen in de muziek. Nou ken ik die vader wel, maar ik kan me niet voorstellen dat diens lessen de jongen dat hebben bijgebracht wat hij uit een klavecimbel of een orgel weet te toveren. Ik noem het niets minder dan toveren. Hij maakt muziek die ik in elk geval nog nooit heb mogen horen, waar dan ook. En zeker niet van een kind van 11.’ 

  Christian wacht op een vervolg, maar dat komt niet. Hij had gehoopt dat het om zijn muziek zou gaan, niet om dat van een of andere snotneus. Waar gaat dit gesprek naartoe?


  Langzaam lopen de beide musici door de paleisgang. Het is er stil. Kennelijk is het personeel elders in het immense gebouw aan het werk en is het hof met reces. 

  Dan komen flarden muziek hen tegemoet. Ergens verderop moet iemand muziek aan het maken zijn. Omdat hun tempo maar heel langzaam is, is het aanvankelijk moeilijk te horen wat er gespeeld wordt. Christian spitst zijn oren. Dan hoort hij het. Bach. Das Wohltemperierte Klavier. Christian is zo geraakt door de muziek, dat hij vergeet waar hij loopt. Hij knalt tegen een grote Chinese vaas op, die met heel veel lawaai op de grond tuimelt. Van den Eeden blijft geschrokken staan en pakt hem beet met beide handen. 

  ‘Dit is toch wel een grote schadepost’, zegt hij met een licht bibberend stemmetje. Christiaan hoort het niet. Het enige wat hem nog bereikt zijn de vastberaden klanken en de onwaarschijnlijke dynamiek die uit de verte naar hen toe komen. 

  En die plotseling stoppen. Uit een van de kamertjes komt een jongen naar buiten lopen. Hij ziet de mannen in de gang staan bij de scherven die zich over de hele breedte van de gang hebben verspreid. De jongen komt met stevige stappen dichterbij.

  ‘Herr Eeden, wat is er aan de hand. Hoe kan ik studeren als u hier een feest hebt georganiseerd.’ Christiaan moet inwendig alweer grinniken, ondanks de hachelijk situatie en de vreemde manier waarop zijn gastheer wordt aangesproken door de snotneus waar hij het zojuist ongetwijfeld over gehad heeft. 

  ‘Maar Ludwig, zie je dan niet dat we een gast hebben. En dat die het paleis nog niet kent en per ongeluk ….’ De jonge Beethoven laat de oude man niet uitspreken. Hij draait zich om en loopt weer terug naar zijn studeervertrek. Met een knal gooit hij de deur dicht en de stilte keert terug bij het tafereel van een gebroken vaas en twee mannen. Mannen die elkaar aankijken en niet weten wat ze moeten doen en laten. 

  Boos gaat Ludwig weer achter zijn klavier zitten. Zijn vingers trillen, zijn ademhaling is onrustig en snel. Wat hij voelt herinnert hem aan die keer dat hij Vader tekeer hoorde gaan tegen zijn broertje Kaspar. Kaspar had niets verkeerd gedaan, want hij was nog maar heel klein. De verontwaardiging die hij voelde kwam van heel diep. Je mag een kind niet straffen als hij niets gedaan heeft. Dat mag niet! Maar een klein kind kan niets ondernemen als er onrecht in de wereld is. En onrecht is er en dat voel je, hoe klein je ook nog maar bent. Herr Eeden heeft beloofd dat hij in het paleis ongestoord mag studeren en nu kan dat niet meer. 

  Hij staat op en loopt weer naar de deur. Heel voorzichtig kijkt hij om het hoekje. De mannen staan nog steeds bij de gevallen vaas. Ze praten zacht, maar hij vangt toch woorden op. Ze praten over hem. 

  Ludwig bekijkt de man die naast Herr Eeden staat. Hij lijkt een beetje op Vader, maar zijn blik is veel vriendelijker. Hij praat rustig en luistert als Herr Eeden iets zegt. En dat is niet zo makkelijk, want zijn stem trilt een beetje en hij spreekt zacht en langzaam. Je moet altijd uitkijken dat je niet aan heel andere dingen gaat denken als hij tegen je praat. Zijn boosheid is nu helemaal weg.

  Dan ziet Herr Eeden hem om het hoekje gluren. Hij wijst met een bibberende vinger naar hem. De andere man kijkt nu ook zijn kant op. Hij lacht vriendelijk, terwijl ze naar hem toe komen.

  ‘Kijk, hij staat in de deuropening’, zegt Herr Van den Eeden. Christian kijkt in de donkere ogen van het jongetje, dat nieuwsgierig om het hoekje loert. Hij is nieuwsgierig naar het kind geworden, nu de hoforganist hem heeft verteld over Ludwig, die hij sinds een paar maanden les geeft op het orgel en de klavecimbel. In die tijd heeft hij het ingewikkelde Wohltemperiertes Klavier van Bach niet alleen foutloos leren spelen, maar ook nog eens uit zijn hoofd. Hij heeft de jongen zelfs een keer iets horen spelen dat hij nog niet kende. Terwijl zijn kennis van de muziek toch aanmerkelijk breder is dan dat van de meeste musici aan het hof. Wat bleek? De jongen had het zelf bedacht. Hij improviseerde wat op een wijsje dat hij ergens had opgevangen. Een paar dagen later, toen hij tegen de jongen zei hoe jammer hij het vond dat hij de muziek niet had opgeschreven, speelde Ludwig het net zo makkelijk opnieuw. Hij had het opgeslagen in zijn hoofd! 

  Dat was het moment waarop Christian zich realiseerde dat hij zijn leerling eindelijk gevonden had. En natuurlijk bleek dat ook precies de reden waarom de oude man hem aan het hof had laten ontbieden. 

  ‘Dag jongeman, mijn naam is Christian Neefe. Ik heb je zojuist horen spelen en het spijt me geweldig dat ik je spel zo wreed heb verstoord door deze prachtige vaas om te gooien. Ik heb je uit je concentratie gehaald en dat beschouw ik als een grote zonde. Mijn excuses.’

  Ludwig raakt nu de kluts kwijt. Zijn boosheid sluimert nog ergens, maar hij voelt zich ook klein worden. Deze deftige meneer, die hem zijn excuses aanbiedt.  

  ‘Speel nog wat voor Herr Neefe, Ludwig. Ik heb zojuist trots over je vorderingen met Bachs muziek gesproken. Ik heb Herr Neefe nieuwsgierig gemaakt.’

  Eedens verzoek is voor Ludwig de redding uit deze lastige situatie. Aan de klavecimbel voelt hij geen verlegenheid, geen schroom en kan hij zich moeiteloos uitdrukken. 

  Christian Gottlob Neefe luistert in een stoel, vlakbij het instrument, de rest van de middag naar muziek die zo uit de hemel lijkt te komen. Meer en meer improviseert de jongen op thema’s uit het grote werk van Bach, meer een meer raakt Christian ervan overtuigd dat hij vandaag begint aan een taak die hem meer inspireert dan wat hij tot nu toe heeft meegemaakt: lesgeven aan Ludwig van Beethoven.


  Christian is nog nooit op audiëntie bij een keurvorst geweest. Met Van den Eeden, die hij inmiddels Gilles mag noemen, loopt hij over de binnenplaats, waar hij inmiddels vier keer is geweest. Van het ooit zo grote paleis is sinds de brand vier jaar gelden maar een klein deel gerestaureerd. Het wordt eigenlijk alleen voor muziekuitvoeringen gebruikt. Ludwig heeft inmiddels vrij toegang tot de repetitieruimte, de vorst heeft kennelijk grote plannen met hem.

  Christian heeft de jongen inmiddels leren kennen als een vlijtige, bovenmatig intelligente jongen. Zijn verlegenheid staat nogal in contrast met zijn boze buien. Wat hem daarbij is opgevallen is, dat de jongen op slag verandert als het over het uitvoeren van muziek gaat. Daarin is hij zo overtuigd van zijn eigen kunnen, dat hij niemand toestaat hem de les te lezen of zijn fouten te corrigeren. Want hoe begaafd Ludwig ook is, hij maakt fundamentele technische fouten. Hij speelt briljant als het gaat om de emotie en dynamiek van de muziek, maar tegelijkertijd speelt hij vaak slordig en wispelturig. Toen Christian hem daarop wees, kreeg het kind een woedeaanval. Christian had niet verwacht dat hij zo kon schrikken van een elfjarig jongetje. Hij verdenkt Gilles van der Eeden ervan, dat deze reacties de ware reden zijn om het lesgeven te staken, meer nog dan zijn hoge leeftijd en gezondheidstoestand. 

  Nu heeft Gilles hem gevraagd of hij de taak van hem over wil nemen. Christians aanvankelijke inspiratie om Ludwig les te geven veranderde in twijfel. Daarom heeft hij Gilles voorgesteld een paar keer een uurtje met Ludwig door te brengen. Langzaam maar zeker ontstond een vertrouwensband en mondjesmaat staat de kleine Ludwig hem toe aanwijzingen te geven over verbetering van de techniek. Omdat hij verder een lief, zelfs verlegen kind is, is Christian akkoord gegaan met Gilles’ plan. Nu moet de keurvorst persoonlijk toestemming geven en omdat die vandaag in Bonn resideert, zijn de beide heren naar hem op weg. 

  Dezelfde lakei die hij al eerder had bewonderd gaat hen nu voor naar de ontvangstruimte. 

  ‘Spreekt u de vorst vooral aan met Zijne Hoogheid. U hoeft niet te buigen, maar ik verzoek u dringend om niet te gaan zitten voor u daartoe wordt uitgenodigd. Keurvorst Karl heeft een uur voor het gesprek uitgetrokken. Ik kom u halen zodra dat uur voorbij is. Ik wens u een vruchtbaar onderhoud toe’. Na deze introductie krijgt Christian toch wel wat kriebels in zijn maag. Of komt dat door de knappe lakei?

  De deur naar de ontvangstruimte gaat open.

 Op een stoel, meer een troon, zit een indrukwekkende gestalte. Keurvorst Karl Theodor von der Pfalz. Hij is gekleed in een donkerrode mantel met een hermelijnen kraag. In zijn hand houdt hij een maarschalkstaf. 

De Keurvorst lijkt niet erg op dit bezoek gerekend te hebben. Hij kijkt de beide mannen onzeker aan en draait zijn hoofd op een merkwaardige manier naar rechts, want hij blijft de mannen daarbij strak aankijken. Aan zijn rechterzijde staat een minister, of staatssecretaris, die in staat geacht wordt alle vragen van de vorst te beantwoorden. Zo ook de vraag wat deze vreemde snuiters in zijn ontvangstruimte doen.

  Het antwoord bevalt de keurvorst kennelijk, want hij staat op, ontspant onmiddellijk en overhandigt zowel zijn mantel als zijn staf aan de ambtenaar. Die loopt naar een grote kast achterin het enorme vertrek en verlaat de ruimte. 

  ‘Heren, ik had gerekend op een bezoek van een Franse generaal. U begrijpt dat ik die in vol ornaat wil ontvangen. Mijn minister heeft zich vergist, de man komt pas later vandaag. Mijn excuses voor de wat merkwaardige ontvangst. U komt met mij praten over die wonderlijke jongeman, die hier inmiddels vrijwel dagelijks over de vloer komt. Dat vind ik een plezierig onderwerp. Gaat u zitten’. 

II

Bonn, donderdag 30 mei 1782

  Ludwig is nerveus en hij kan er met niemand echt over praten. Vader is druk in de weer met de wijnhandel die Grootvader Ludwig hem heeft nagelaten, Moeder bereidt zich voor op een familiebezoek volgend jaar en Kaspar en Nikolaus snappen niets van wat hij tegen ze zegt. Broertjes hebben is soms leuk, soms ook helemaal niet. 

  Sinds Neefe hem elke week lesgeeft, is het spelen op de klavecimbel een heel andere ervaring geworden. Hij kan nu veel meer helderheid brengen in zijn spel (zeker de snelle passages) en het vertalen van wat er uit zijn muziekpaleis naar boven komt naar zijn vingers op de toetsen is zo ontzettend veel makkelijker. Jammer alleen dat Neefe vaak weg moet. Hij heeft zoveel taken en verplichtingen aan het hof gekregen, dat er voor lesgeven aan hem niet genoeg tijd over is. Daar is Ludwig boos over, maar ook daarover kan hij het met niemand hebben. 

Ludwig zit toch wel nerveus achter het grote kerkorgel. Dat Neefe hem, hij voelt zich nog zo klein, heeft gevraagd hem te vervangen. Neefe is, sinds de oude hoforganist is gestorven, de officiële organist geworden. Nu moet hij voor zaken op reis. 
Er worden koralen gezongen en er moet een solostuk worden uitgevoerd, terwijl er een of andere belangrijke gebeurtenis plaatsvindt. Ludwig fronst zijn zwarte wenkbrauwen en zucht nog eens diep. Niet dat hij zich druk maakt over het spelen zelf. Hij heeft de muziek goed bekeken en kon die vrijwel meteen foutloos spelen. Het is veel meer zijn aanwezigheid tussen al die mensen. Hij kan zich niet achter Neefe verschuilen en zijn vader laat hem sowieso tegenwoordig aan zijn lot over. Hij kent voldoende mensen aan het hof, maar dat zijn vooral bedienden en lakeien. Daar kan hij natuurlijk geen steun van verwachten. De Keurvorst is er zelf en verder kent Ludwig al die mensen niet die aanwezig zijn. Straks, na het spelen moet hij zich in dat grote gezelschap mengen. 
Het wordt stil in de grote kapel. Ludwig weet wat hem te doen staat. Weliswaar met trillende handjes, maar zonder aarzeling, produceert hij het magnifieke geluid dat het instrument maakt. Hij vergeet wie en waar hij is. Hij gaat op in de muziek. Bach, wat anders.

  Uitgeput staat Ludwig op van het bankje. Het orgel heeft zich subliem gedragen. Hij heeft er alles uitgehaald wat er in zat, jammer dat Neefe hem nu niet heeft gehoord. Langzaam loopt hij de grote ruimte van de kapel in, waar een horde mensen bijeen is. Iedereen is mooi gekleed. Ludwig droomt ervan dat hij ooit het groene hofuniform zal mogen dragen. Dat zal hem het aanzien geven dat hij verdient. Nu moet hij het nog doen met een gewoon, zwart jasje, een rode sjaal en een lange broek. 

  Hij wandelt voorzichtig langs de adellijke prinsen en prinsessen, graven en gravinnen, allemaal even deftig en chique. Niemand slaat acht op hem. Hij heeft mooi gespeeld, iedereen heeft het gehoord, maar niemand weet wie er nou precies achter het orgel zat. Waarschijnlijk verwachten ze dat Herr Neefe zich na zijn arbeid bescheiden heeft teruggetrokken.

  Verdrietig verlaat Ludwig het paleis. Hij steekt de binnenplaats over en steekt de lange laan in, waar de statige beukenbomen een prachtige erepoort vormen. Ludwig fantaseert over de mensenmassa die aan de kant van de weg juicht en danst, omdat daar de grote Ludwig van Beethoven, hoforganist bij de Keurvorst voorbij komt. 

  ‘Heb je dat gezien? De grote Ludwig van Beethoven’, kon ik hem maar aanraken.

  ‘Herr Van Beethoven, kunt u mij een autograaf bezorgen, ik bewonder u zo!’. Een mooi meisje kijkt naar hem en buigt voor hem. Jaloers verdringen nog veel mooiere meisjes zich om haar heen. Ze steken springen in de lucht en verdringen zich tussen elkaar door om een glimp van hem te mogen opvangen.

  Ludwig glundert van genot, als in zijn hoofd een melodie opdoemt. Een lied van adoratie, roem en geluk. 

  In zijn eenvoudige kleren loopt hij langs de beukenbomen, waar verder niemand te zien is. Het begint zachtjes te regenen. 

  Drijfnat en nog steeds een beetje droevig loopt Ludwig het huis binnen. In de huiskamer is niemand. Zoals altijd valt zijn oog op het portret van Grootvader. Hij voelt zoveel kracht als hij zich inbeeldt dat hij naast die trotse, prachtige man zou zitten en met hem over muziek zou mogen praten. Dat hij alles zou kunnen vragen wat hij wil weten en dat Grootvader hem dan zou aankijken met die doordringende ogen en hem zou steunen. ‘Ik ben bij je als je voor dat volk speelt. Ik zal zorgen dat ze zullen juichen en klappen en tegen elkaar vertellen wat een bijzondere jongen, van nog maar 10 jaar, daar van die mooie muziek maakt’. Ludwig weet dat hij 12 is, maar net als Vader, trekt hij er graag 2 vanaf. Dat maakt de schok bij het publiek nog net wat groter. 

Hij lacht naar het schilderij. Zijn verdriet is als sneeuw voor de zon verdwenen. 

  ‘Johann, ik wil het schilderij van je vader schoonmaken. Haal het voor me van de muur, wil je.’ Moeder komt met grote stappen binnenlopen. In haar kielzog Vader, die kennelijk in een goed humeur is, want hij neuriet een liedje. 

  ‘Dag jongen, heb je fijn muziek gemaakt bij de edelmannen en ritselende japonnen?’. Ludwig wil antwoord geven, maar hij ziet dat zijn vader zich totaal niet interesseert voor wat hij eventueel te vertellen zou kunnen hebben. Die kijkt met een scheef hoofd naar het schilderij, alsof hij wil inschatten of hij het in zijn eentje van de muur af kan halen. Moeder is intussen naast hem komen zitten en legt haar arm om zijn schouder. Hij kruipt dicht tegen haar aan. Dat heeft hij liever dan een conversatie met Vader die meestal toch uitmondt in laatdunkend gepraat over de mensen van wie Ludwig straks misschien afhankelijker is dan van zijn ouders. Moeder is zacht en warm. 

  ‘Laten we eerst samen even bij de Fischers langsgaan, ze hebben gevraagd om even op de kleine Gottfried te passen en klanten te helpen die brood komen kopen. Ik kan dat niet alleen.’

  Ludwig heeft nu mooi de kans om het grote schilderij eens nauwkeurig te bestuderen. Het is bijna net zo groot als hijzelf. Het ruikt naar verf, naar hout en naar Grootvader. Het maakt muziek. Statige, plechtige, deftige muziek. Ludwig snuffelt, luistert en fantaseert over zijn Grootvader, die nu dichterbij is dan ooit. 

  Grootvader stapt uit de lijst en komt naast hem zitten. ‘Ik ben zo ongelofelijk trots op je, mijn kleine jongen’, zegt hij met zijn prachtige, warme stem. ‘En wat heb je toch een bijzondere muziek in je hoofd, ik luister er elke dag naar vanuit mijn positie hier aan de muur.’ 

  ‘Bent u het nooit zat om daar zo stil te moeten hangen?’

  ‘Welnee, jongen, ik zie en hoor jouw muziek, ik geniet ervan, elke keer weer.’

  Ludwig houdt van zijn Grootvader. Hij wilde dat hij ook Kapellmeister kon worden. Aan het hof in een prachtig pak en de hele dag achter het mooie orgel. Hij wandelt om het schilderij, terwijl hij Grootvader een prachtig lied hoort zingen, waar hij zelf de begeleiding bij verzint. Het is een prachtig stuk dat ze samen ten gehore brengen.

  Dan ziet hij plotseling een stukje papier aan de achterkant. Het zit geklemd tussen de achterkant van het doek en de lijst en er staan letters op. Hij gaat op de grond zitten om het er voorzichtig uit te pulken. Dat valt nog niet mee. 

  Uiteindelijk heeft Ludwig het stukje papier uit de lijst weten te krijgen. Het lijkt een heel oud papiertje. Hij ziet onmiddellijk dat de naam Beethoven erop voorkomt. Hij kijkt naar Grootvader, misschien kan die hem vertellen wat het te betekenen heeft. Maar die zit weer doodstil in zijn lijst, niet van plan ook nog maar iets te zeggen.

  Hij neemt het papiertje mee naar zijn kamertje. Het is niet nodig dat Vader het ziet, want dan krijgt hij het vast niet meer terug. Omdat hij het zelf heeft gevonden wil hij het goed bewaren. Ooit komt hij er misschien achter wat het te betekenen heeft.