Pré-roman De jonge toonkunstenaar

Hoofdstuk 3

I

Den Haag,  maandagavond 17 november 1783

Aan boord van een schip op zee. Het stormt, met Donder en Bliksem. 

SCHEEPSKAPITEIN

  ‘Bootsman!’.

  ‘Hier ben ik, kaptein, wat kan ik voor u doen?’ 

  ‘Mooi. Geef de matrozen opdracht om op te schieten, of we lopen vast! Vlug, vlug!!’

BOOTSMAN

  ‘Kom, liefjes, schiet op, schiet op, mijn hartjes’, haal het zeil neer, luister naar het fluiten van de Meester.’ 


  Anna Rovantini heeft hard gewerkt. Op haar zolderkamertje is ze begonnen aan een bijzonder verhaal van Shakespeare. Het verhaal over tovenaar Prospero, die wreek neemt door middel van een verwoestende storm. Anna houdt van de zee en is niet vies van mysterieuze, spannende verhalen. Gisteren heeft ze een lange wandeling gemaakt langs het Haagse strand. Het was guur.

  Anna had een goeie dag. Ze heeft vorderingen gemaakt met de kleine Bastiaan. Hij kan nu in elk geval optellen, wat hem vorige week nog niet lukte. Morgen is er weer een dag en dan maar eens kijken of ze Hildegard ook aan het  rekenen kan krijgen. Die wil alleen maar muziek maken. Voor lesjes lezen en rekenen weet ze zich altijd feilloos te drukken en haar moeder laat haar daarbij ook nog eens haar gang gaan! Die is trouwens sowieso druk met heel andere zaken, zoals muziek maken met charmante jonge mannen, die regelmatig in dit huis blijven slapen. Ze heeft Anna verteld dat ze uit een muzikale familie stamt. Ze praat voortdurend met veel trots over haar broer, die in Bonn violist is in een orkest aan het Keulse hof. Anna laat het allemaal maar over zich heen komen. Ze heeft de zorg voor de opvoeding van de kinderen en daar heeft ze haar handen vol aan. Mevrouw moet maar doen wat haar goed dunkt.

  ALONZO

  ‘Mijn beste Bootsman, doe jij je werk maar goed. Waar is de Meester?’

BOOTSMAN

  ‘Ik bid U, blijf toch beneden!’.  


II

 Op de boot is het heel erg koud. Ludwig heeft van een vriendelijke mevrouw heel dikke sokken gekregen om zijn voeten warm te houden. Moeder is haar heel erg dankbaar. 

  Het schip wordt als een dolle heen en weer geslagen op de woeste rivier. Wat een wind, wat een golven! In zijn maag woedt ook een storm. Hij is zo misselijk, dat hij voortdurend moet overgeven. Hij zag eerst erg op tegen de reis. Hij is nooit eerder buiten Bonn geweest. Moeder had hem vorig jaar al voorbereid op een lange tocht. Toen oom Franz was gestorven, ontvingen ze van zijn zus een lange brief. Sinds die tijd bleef Moeder vastbesloten: we gaan naar Den Haag om haar te bezoeken. 

  Ludwig zit aan de vieze tafel met zijn hoofd in zijn armen. Zodra hij opkijkt, komt de misselijkheid weer omhoog, in golven die zeker net zo dreigend zijn als die buiten op de rivier. Eerder vandaag, toen was de storm nog niet zo hevig, kwam er een boot van de andere kant. Ludwig was bang dat ze zouden botsen. Herr Schultz heeft hem toen alles uitgelegd over de boten die op een rivier varen. Hij heeft hem de loopt van de Rijn laten zien met een landkaart, die hij uit een heel oude, leren koffer haalde. Herr Schultz is vast een zeeman. De Rijn is wel meer dan 1000 kilometer lang en begint ergens hoog in de bergen. 

  Om hem heen zitten mannen, die naar elkaar schreeuwen. Zij hebben nergens last van. Boven op het dek is de kaptein bezig het schip heelhuids over de rivier te leiden. De passagiers mogen daar nu niet komen. Daarom kunnen ze niets van de omgeving zien, wat dan weer jammer is. Herr Schultz maakte een grap: we komen langs de tabaksplantages van de Lage Landen, het wordt hoog tijd om een pijp te roken. Ludwig moest daar om lachen. Maar de tabaksplantages zal hij helaas niet kunnen bewonderen.

III

Den Haag, donderdagochtend 27 november 1783

Hier eindigt dan mijn tovermacht

Mij rest alleen mijn eigen kracht

Maar die is klein. Adieu Magie.

En nu beslist uw fantasie

of ik hier op dit strand crepeer,

dan wel in Napels arriveer.

Nu ik weer heers over Milaan,

vergaf al wie mij heeft misdaan:

help mij nu van dit eiland af,

of uw verbeelding wordt mijn graf.

Verlos me met uw gulle hand

van alle leed en elke band.

Vult met uw adem nu mijn zeil,

of mijn project gaat stuk, terwijl

mijn enig doel was: uw plezier.

Geen geesten meer, geen kunsten hier,

de wanhoop schrijft mijn eindcouplet,

tenzij ik troost vind in gebed,

dat zelfs de Gratie overtreft,

en ons van alle schuld ontheft.

Ook u heeft vast een donkere zij,

Wees daarom mild, en laat mij vrij.

  Zij slaat het boek dicht en kijkt Ludwig lang aan. Hij heeft zijn oren gespitst en – of verbeeldt zij het zich – zijn ogen zijn vochtig. 

  Nadat ze vanochtend heel vroeg een lange wandeling met hem had gemaakt, las Anna hem deze laatste scene uit De Storm met veel theatrale intonatie voor. Gisteren heeft ze voor hem de geschiedenis van Prospero samengevat. Vooral de liefde van Prospero’s dochter Miranda voor Alonzo’s zoon Ferdinand maakt veel indruk op hem. Ze wist niet dat een jongen van zijn leeftijd zo geïnteresseerd kon zijn in de Engelse literatuur. En het leek haar meer dat hij het verhaal voelde dan dat hij het begreep. 

  Een week is Ludwig nu in Den Haag. Toen ze elkaar ontmoetten, was het voor Anna onmiddellijk duidelijk: deze jongen is het liefste en mooiste wat ik lange tijd ontmoet heb. Als hij vijf jaar ouder was geweest was ze zeker verliefd op hem geworden. Anna begrijpt heel goed waarom Mevrouw erop stond dat ze hem zou ontmoeten. ‘Jullie kunnen het vast goed vinden. Ludwig komt uit Bonn, waar mijn broer hem heeft leren kennen. Zijn muzikaliteit is groot en zijn hart ook. Hij zal ongeveer twee maanden in de stad blijven en wellicht kunnen jullie wat tijd samen doorbrengen. Ik geef je de vrijheid om, mits je de kinderen niet verwaarloost – daarbij glimlachte ze, maar met een duidelijk ernstige ondertoon – Ludwig wat van de stad te laten zien. 

  Dat heeft ze gedaan. Hij bleek geïnteresseerd te zijn in de architectuur, die hier zo anders is dan in Bonn. En hij maakte grapjes met de vissers. Alleen toen hij hoorde voor hoeveel geld de vis verkocht werd, trok er een schaduw over zijn gezicht. 

  ‘Zijn de mensen hier nou zo handig, of zijn het duitendieven die je op alle mogelijke manieren geld uit je zak willen kloppen?’, vroeg hij verontwaardigd. 

  ‘Het zal het eerste zijn’, antwoordde zij, ‘Hollanders zijn over het algemeen geen schurken, maar ze geven ook niet graag iets cadeau.’ Anna wist wel beter, Hollanders zijn gierig en willen uit elk handeltje een slaatje slaan, maar ze heeft er ook geen zin in om mevrouws buitenlandse gasten een al te negatief beeld van haar landgenoten te geven. 

  Tijdens de wandelingen door Den Haag leek het Anna steeds meer toe of ze met een volwassene te doen had. Dat werd nog sterker toen ze hem later op de dag achter het klavecimbel zag plaatsnemen. Hij vroeg haar om een melodietje te neuriën en improviseerde vervolgens meer dan een uur op het wijsje voort. Anna raakte in de ban van deze ware  toonkunstenaar. 

‘Ludwig, moet je niet studeren voor je optreden aan het hof morgen?’ Hij kijkt op van zijn toetsenbord en zwijgt lang tijd.

Hun ogen rusten in elkaar en geen van beide zegt een woord. Maar de spanning stijgt met de seconde. Anna voelt dat ze iets verkeerd gedaan heeft, maar ze weet niet wat. Ze heeft inmiddels gemerkt dat de jongen in woede kan uitbarsten als iets hem dwars zit. Het is geen stil water met een diepe grond, eerder een kalm water waar het plotseling kan gaan stormen. Dan staat hij op en loopt op haar af. Hij zwijgt nog steeds, maar blijft haar strak aankijken. Anna voelt haar hart sneller kloppen en in haar hoofd begint het te malen. Wat heeft ze gedaan, wat gaat hij doen, deze kleine, woeste jongen met zijn priemende ogen. Als hij vlak bij haar gezicht is, met zijn neus bijna tegen de hare, begint hij plotseling hard te lachen. Hij pakt haar hoofd tussen zijn handen en heeft haar een kus op haar mond. Dan rent hij weg, door de deur naar de gang en naar buiten.

  Anna rent achter hem aan. Hij sjeest inmiddels over de keien van het Buitenhof, langs Koffyhuys Van Dalen, richting  Binnenhof. Het is voor Anna niet moeilijk om Ludwig in te halen. Ze springt bovenop hem en houdt hem in een krachtige greep vast. Hij kan geen kant uit.

  Ludwig voelt de warmte van Anna’s lichaam door zich heen gaan. Omdat hij zijn moeder deze dagen maar nauwelijks heeft gezien en het buiten erg koud is, geniet hij met volle teugen. In zijn hoofd klinken harmonieën in de vorm van gebroken akkoorden, die een lieflijke melodie vormen. Ze nestelen zich in zijn muziekpaleis om pas veel later weer tevoorschijn te komen. Hij probeert zich los te wurmen, maar dat lukt niet. Anna is natuurlijk veel sterker. 

  Hij vindt Anna lief en interessant tegelijk. Terwijl ze vertelt over De Storm, de tovenaar Prospero en de intriges tussen Alonzo en Ferdinand, ziet hij de beelden helder en duidelijk voor zich. Haar stem is als die van een zangeres en veroorzaken in zijn hoofd de prachtigste muziek. 


IV 

Zondagmiddag 23 november 1783 

  Willem is in een uitgelaten stemming. Niet alleen heeft hij de hele ochtend in de slaapkamer doorgebracht met zijn vrouw, ook de staatszaken geven redenen tot optimisme. De Vrede van Parijs is een pak van zijn hart. Zijn dagen zijn niet langer gevuld met oorlogsretoriek en het nemen van talloze beslissingen, zeker niet zijn sterkste kant. De generaals zitten weer waar ze horen, op het ministerie van defensie of met hun divisies in het veld. Op oefening, welteverstaan, niet ten strijde tegen de Engelsen. Hij hoeft zich niet langer druk te maken over de verwaarloosde vloot, hij kan dat nu met een gerust hart overlaten aan de Marine, waarmee hij uitstekende afspraken heeft gemaakt.  

  Vandaag staat een concert op het programma. Willem houdt van muziek. Toen hij nog maar net was aangetreden als erfstadhouder, luisterde hij met groeiende belangstelling naar Mozart, een beroemde componist uit Oostenrijk, die zelfs een quodlibet voor hem componeerde. Ook nu komt er een jonge componist, deze keer uit Duitsland om voor hem te spelen. Hij verheugt zich erop, het kan zijn dag alleen nog maar mooier maken. 

  ‘Willem Batavus, heb je je mooie billen inmiddels weer in een keurige broek gehesen?’ Wilhelmina loopt naar hem toe en geeft hem een ondeugend tikje tegen zijn, nu keurig in een strakke witte broek gepakte, rechterbil. Ze loopt er zelf ook weer goed gekleed bij. Ze heeft een lange lichtblauwe baljurk aan met een zijden strik op haar volle boezem. Hij kijkt er naar en zijn lust dringt zich opnieuw aan hem op. Maar nee, hij wil zich nu niet bezighouden met de lusten, maar met zijn gezin en het concert dat over anderhalf uur zal aanvangen. 

  Samen lopen ze naar de grote kamer. De kinderen zijn al keurig aangekleed en spelen lief met hun gouvernante en dat ziet Willem graag. Als ze hun ouders samen zien, rennen  ze naar hun moeder en klimmen op haar schoot. Willem kijkt door de grote ramen naar beneden. Daar, op het Binnenhof,  is een kermis georganiseerd ter ere van de vrede. Het concert vindt plaats in de Grote Zaal. Er wordt veel publiek verwacht, zo’n wonderkind uit het buitenland is een fijne afwisseling voor het volk. Willem voelt zich een tevreden vorst vandaag. 

  Ludwig zit voor het raam en kijkt naar de kermis op het plein beneden hem.

Hij is alleen. Moeder is al naar de Grote Zaal gegaan met Anna, maestro Graaf zal hem straks halen. Hij repeteert in zijn hoofd het pianoconcert dat hij straks zal spelen. Hij heeft in Rotterdam al verschillende concerten gegeven, het gaat hem goed af deze week. 

  Langzaam loopt hij naast Graaf de zaal binnen. Afgeladen vol. Op het grote podium staat een vleugel, het kleine orkest zit al klaar, een man of 15. Hij hoort niets, alleen de beginklanken van het concert, diep in zijn binnenste. Ze zijn helder en duidelijk, hij weet precies hoe hij ze straks zal spelen. 

  Voorin de zaal aangekomen ziet hij op de tweede rij zijn moeder en Anna. Onwillekeurig denkt hij aan Cecilia, wat zou zij nu aan het doen zijn? Hij ziet haar dansen op de muziek in zijn hoofd. Ze danst rondjes, kleine pasjes en kijkt hem liefdevol aan. Zij en moeder, als die twee er niet waren….

  Op de eerste rij ziet hij een voorname man in een groene jas met allemaal goud en een knalrode kraag. Hij draagt een ouderwetse pruik en kijkt geïnteresseerd naar hem en de maestro. Naast hem zit een prachtige dame in een blauwe jurk en twee potsierlijk opgedofte kinderen. Dat moet Willem V zijn, waarover Moeder hem het een en ander heeft verteld. Een stadhouder, vast veel minder voornaam dan een Keizer. 

  Ludwig vergeet het publiek en neemt plaats achter de vleugel. Maestro Graaf wacht rustig tot hij goed zit en naar hem kijkt. Dan opent hij zijn armen en slaat de eerste maat. Het orkest speelt en klinkt warm en levendig. Ludwig weet dat dit een goed concert gaat worden.