Pré-roman De jonge toonkunstenaar

Hoofdstuk IV

Wanneer treffen we elkaar een volgende maal? Bij regen, donder of bliksemstraal (Shakespeare, MacBeth, eerste regel)

I

Bonn, zaterdag 6 maart 1784

  Franz Wegeler is al meer dan een uur bezig in zijn badkamer. Hij wil er op zijn best uitzien. Om medicijnen te studeren moet je slim zijn, dat is hij wel; een afspraak met Babette Koch laten lopen omdat je moet studeren is ronduit dom en dat is hij niet. Als de perfecte vrouw bestaat is zij dat. Zijn studie moet maar even wachten. 

  Hij knipt aan zijn bakkebaarden, schikt zijn das goed onder zijn diepblauwe jas die hij nog niet eerder heeft gedragen en hij gebruikt overvloedig reukwater. Alles blinkt, ruikt en voelt zoals het moet blinken, ruiken en voelen. Franz kan naar buiten, de kou in, op jacht.

  Hij zal eerst om moeder Anna heen moeten, bedenkt hij, terwijl hij op weg is naar de Zehrgarten, de taveerne van Anna en Babette op het marktplein. Die houdt haar dochter scherp in de gaten. Het feit dat hij student is, speelt in haar ogen geen rol. Hij heeft haar vaker horen uitvallen tegen academici, kunstenaars en zelfs hoogleraren, die het waagden om naar de fraaie billen van haar dochter te kijken, laat staan er aan te zitten. 

Marktplatz Bonn, met rechtsonder der Zehrgarten

Niet dat Wegeler daar op uit is. Hij is  en blijft een nette jonge man van negentien, die serieus is in zijn studie, verstandig is in de keuze van zijn vrienden en die een bijzonder verfijnd gevoel voor humor heeft. Dat zou in zijn voordeel kunnen pleiten. 

  Franz Wegeler heeft geluk. Babette zit voor de taveerne, met een hondje. 


  Helene von Breuning ziet haar dochters lange haren wapperen terwijl die stampvoetend de kamer uitrent. Ze hoort haar nog net zeggen: ‘…..vervelend mens!’. Helene zucht. Een dochter van dertien is bewerkelijker dan haar drie broers bij elkaar. En toch zal ze mee moeten naar de markt. Er is te weinig meel en bieten in huis en ze is niet van plan dat in haar eentje te dragen, zeker niet nu het zo koud is. ‘Dan kan Stephan toch mee? Waarom altijd ik?’, was haar pleidooi om een vrije middag te organiseren. Maar Stephan kan helemaal niet mee, want die is ziek. Ze staat op en loopt haar dochter achterna. 

  ‘Eleonore, luister even goed.’ Het meisje zucht diep en rolt met haar ogen.

  ‘Jaah, wat!’. 

  ‘Als je nu met me meeloopt naar het marktplein en me helpt sjouwen, dan zou ik daar erg blij mee zijn.’ Ze weet ongeveer wat het antwoord zal zijn: nee want.…

  ‘Nee, dat kan niet mama, want ik heb pijn in mijn arm. Ik heb me ontzettend gestoten, misschien is het wel gebroken. 

  ‘Laat zien, kind.’ Inderdaad heeft Eleonore een blauwe plek op haar arm. 

  ‘Nee, dan begrijp ik het, dan zal ik alleen moeten sjouwen. En wat vervelend dat je nou morgen niet kunt meedoen aan de winterspelen. Je zou toch touwtrekken met de jongens en kantklossen met de meisjes? Dat komt wel goed uit, want ik kan het kant goed gebruiken voor een nieuwe jurk. Helene ziet haar dochters wangen rood worden. Daar had ze niet op gerekend. Helene staat op en loopt de kamer uit. Nog voordat ze de deur dicht kan doen hoort ze haar dochter met een lief stemmetje zeggen: 

  ‘Ik vind het toch wel zielig voor je mama, dat je al die spullen alleen moet tillen. Ik ga wel met je mee, misschien kan ik met één arm ook wel helpen. 

  Samen lopen ze naar het marktplein. 


  Ludwig leest MacBeth. Sinds zijn reis vorig jaar naar Den Haag is het werk van Shakespeare hem meer en meer gaan boeien. Anna Rovantini gaf hem Der Sturm mee. Tijdens de terugreis naar Bonn, die veel minder heftig was dan de heenreis, las hij het verhaal meerdere malen. Hij besprak het met Moeder en ze kwamen tot de conclusie dat de literatuur een welkome aanvulling is op de muziek. Dat wat een schrijver schrijft parallel loopt aan wat een componist componeert. Ludwig hoort het verhaal terwijl hij leest, meer nog dan dat hij het voor zich ziet. Hij hoort MacBeth en zijn vrouw de moord op de Schotse koning beramen. Het gaat gepaard met donkere baspartijen en wilde passages van de altviolen en celli. 

  Als hij zijn boek heeft weggelegd, is hij in een donkere stemming. Of het de vele doden uit het verhaal zijn en de bijbehorende droevige klanken, of iets anders, dat weet hij niet. Maar hij voelt zich ellendig en zwaarmoedig. Als moeder hem vraagt om een eindje om te lopen, reageert hij eerst knorrig en afwezig. 

  ‘Geen zin, te koud buiten.’ Maria is verbaasd. Ludwig heeft altijd zin om naar buiten te gaan. Altijd. 

  ‘Voel je je niet goed, Ludwig?’

  ‘….’

  Als Nikolaus hem dan ook nog eens komt roepen om met hem te komen spelen, wordt het Ludwig teveel. Hij smijt het boek in een hoek, gromt wat onverstaanbaars tegen zijn broertje en rent dan toch maar naar buiten. Daar ziet Maria hem een bijl pakken, waarmee hij keihard op de stronk van de oude eik begint te slaan. Zijn laat hem gaan, maar ze maakt zich zorgen. 

  Als Ludwig uitgeraasd is, trekt Maria hem zijn dikke jas aan. Samen lopen ze naar de kade van de Rijn. Nu de vorst voorbij is, staat het water in de Rijn hoog, erg hoog. Ze lopen samen langs de rivier, die nu veel dichterbij de straat is gekomen dan normaal. Het leidt Ludwig af. Hij vraagt Moeder naar de oorzaak. 

  ‘Weet je nog dat we laatst naar de markt gingen, die op het ijs was gebouwd?’ Ludwig herinnert zich de vreemde gewaarwording van een witte ondergrond met daarop de kraampjes waar je warme worstenbroodjes kon kopen. Daar had hij van gesmuld. 

  ‘Het ijs is nu aan het smelten en dat betekent dat er heel veel water vrijkomt. Daarom is het water zo hoog.’ 

  ‘Komt het dan niet zo hoog dat het bij ons huis naar binnen komt?’ 

  ‘Welnee,’ zegt Moeder, ‘daar hoef je helemaal niet bang voor te zijn hoor.’

  Ludwig is niet gerustgesteld. Nog lang niet al het ijs is ontdooid. 

  Ze komen bij het marktplein aan, precies tegelijk met Helene en Eleonore von Breuning. 

  Anna en Babette Koch werken in stilte aan het openen van hun taveerne. Ze weten precies wie wat moet doen, hoeveel tijd dat kost en wanneer ze opengaan voor hun bijzondere publiek. Dagelijks komen intellectuelen langs om te discussiëren over de toestand in de wereld, de wetenschap, de Grote Kunsten en het weer. Zeker nu de dooi begint in te treden, is het weer een onderwerp voor heftige discussies. ‘De Rijn zal meer schade aanrichten dan ooit’, zegt Professor Prlwytskofsky, die even de nabijgelegen universiteit ontvlucht voor een groot glas Glühwein. ‘Onzin’, snauwt Tijn, de schilder, die een veel optimistischer kijk op het leven heeft. En zo gaat het de hele dag door, terwijl de mannen hun ogen niet van Babette kunnen houden. Maar ja, zo gaat dat in een taveerne. 

Schilderij Manet, Un Bar aux Folies-Bergères 1882

  Babette heeft alle tafeltjes binnen met een natte doek afgenomen en neemt een grote stapel buitenstoelen in haar handen. Ze is jong en sterk en gewend om te sjouwen. De deur is nog dicht vanwege de kou, dus die moet ze eerste openmaken. Terwijl ze dat doet ziet ze aan de andere kant van de markt Helene met Eleonore om de hoek komen.

  Precies op hetzelfde moment trapt Rex met zijn rechterpootje in een stukje glas.

  Franz Wegeler versnelt zijn pas. Hij is vertederd door het tafereeltje. Babette, die het een hondje vasthoudt, dat erbarmelijk jankt. Ze houdt het diertje vast met haar ene hand en wurmt wat onhandig aan zijn voorpootje met de andere. Wegeler bukt tegenover het tafereeltje. 

  ‘Babette, wat is er aan de hand?’

  ‘Ach, lieber Franz, dit diertje heeft het moeilijk en daardoor ik ook. Ik kan nou eenmaal geen dierenleed verdragen.’ Ze heeft tranen in haar ogen, van wanhoop. ‘Kun jij misschien even voor me kijken? Je bent immers dokter.’  

  ‘Nog niet, nog niet, en zeker geen dierenarts, maar het kan natuurlijk geen kwaad om even te kijken.’ Hij legt zijn hand over de hare, net voordat ze die kan terugtrekken. Hij draait heel voorzichtig haar hand met het pootje zo, dat hij kan kijken. Hij ziet onmiddellijk wat er aan de hand is, maar hij wacht expres iets langer dan nodig is. Alleen al de aanraking is een reden om deze dag tot de beste sinds weken te benoemen. 

  ‘Er is een stukje glas in het voetkussentje gekomen, kijk maar’, zegt hij als hij dan toch echt niet langer kan treuzelen. Babette kijkt hem aan met een ondeugende glimlach. Ze snapt heel goed wat deze schelm aan het doen is en ze heeft daar niet echt bezwaar tegen. 

  ‘Misschien moet je binnen even een pincet halen’, zegt hij, terwijl hij het hondje met zijn vrije hand over het kopje aait. Het diertje lijkt het allemaal te begrijpen. Het is opgehouden met janken en wacht geduldig af wat komen gaat. Babette loopt naar binnen om het gevraagde gereedschap te gaan halen.

  ‘Kunnen we u van dienst zijn?’, vraagt een vrouw, die naast Wegeler is komen staan. Naast haar staat een jonge man met een bos krullen. Hij lijkt ongeduldig. 

  Met in zijn hand een bloedend hondepootje kijkt Franz naar de mensen die zich inmiddels om het tafereeltje hebben geschaard. De vrouw die sprak kijkt hem verwachtingsvol aan. De krullebol naast haar is bewegelijk. Hij lijkt de situatie te willen ontvluchten. Zijn aandacht lijkt heel ergens anders naar uit te gaan. Dan ziet hij wat er aan de hand is. Naast hem is een beeldschoon meisje komen staan, die de hand vasthoudt van een oudere vrouw, ook een schoonheid, die waarschijnlijk haar moeder is. Zijn blik blijft hangen bij de ogen van de jongeman, die zijn ogen maar niet van het meisje kan afhouden. Dan komt Babette naar buiten met in haar hand een pincet. Ze leidt de aandacht van Franz onmiddellijk af. Niet alleen kan hij nu het stukje glas verwijderen, ook heeft hij nu zelf alleen nog maar aandacht voor de schoonheid van een jonge vrouw. 

  De moeders hebben al gauw nader kennisgemaakt en zitten nu met kopjes koffie om een tafel in de taveerne. Babette, Eleonore, Franz en Ludwig zitten gehurkt rondom het hondje, dat inmiddels een pootje in verband en een koekje in zijn bek heeft. 

  ‘Wat gezellig zo,’ zegt Eleonore, die inmiddels de geïnteresseerde blikken van Ludwig heeft opgemerkt. Ze is nieuwsgierig naar de jongen, maar hij maakt haar ook verlegen. Omdat Franz en Babette zich, met hun hoofden dicht bij elkaar, intensief bezighouden met het lot van het diertje, kijkt ze Ludwig aan. Die krijgt onmiddellijk een rood hoofd en heeft geen idee wat hij moet antwoorden. Ze roept een gevoel bij hem op dat hij nog niet kende. Het begint in zijn grote teen en raast omhoog door zijn lichaam waar het elk ander gevoel verdooft en een enorm verlangen achterlaat. 

  ‘Hoe heet je?’, vraagt ze. Ludwig slikt. Hij is geschrokken, trilt nu over zijn hele lichaam en het enige dat hij kan uitbrengen is een stotterend en schor klinkend: ‘Ludwig…. en jij?’

  ‘Ik heet Eleonore van Breuning. Ik heb drie broers en mijn moeder zit nu binnen te leuten met twee dames, waarvan er een jouw moeder is, toch? Heb jij broers en zusjes?’ Ludwig kijkt Eleonore aan. Hij weet zeker dat dit zijn vrouw zal worden. Hij houdt nu al zoveel van haar, dat dat gewoon niet anders kan en mag zijn. Deze gedachten geven hem vleugels. Het trillen stopt en in zijn hoofd klinken vrolijke klanken, muziek die hij niet graag hoort als ze door anderen is gecomponeerd, maar die wel spontaan in hem naar boven komen als hij blij is. Zoals nu.

  ‘Ik heb twee broers, Caspar Anton en Nikolaus Johann en mijn moeder heet Maria. Ik ben vorig jaar in Den Haag geweest en ik hou heel veel van je.’ Hij haalt zijn hand door zijn krullen en kijkt intussen naar Franz en Babette, die nog dichter bij elkaar zijn gaan zitten.